Weer eens een stoppoging gedaan wat betreft roken.
Ditmaal met nicotinekauwgom.
De gebruiksaanwijzing had ik uiteraard niet gelezen en ik kauwde er die maandagochtend lustig op los, gebogen over mijn dossiers.
Misschien had ik de gebruiksaanwijzing toch moeten lezen! Ik kreeg de hik en een vervelend opgeblazen gevoel in mijn maag dat een beetje doortrok achter het borstbeen en zelfs doortrok naar mijn kaken. Ik ging even liggen, maar daar ging het niet mee weg. Vervelend, die maagklachten. Ik besloot de huisarts te bellen om te vragen of hij daar misschien een drankje voor had.
De huisarts vroeg wat er aan de hand was en ik vertelde hem mijn klachten. Ik vertelde dus ook dat het een beetje doortrok achter het borstbeen. Dat had ik niet moeten doen.
‘Zullen we dan maar een ECG laten maken?’, vroeg de huisarts.
Ik antwoordde dat dit niet nodig was. Het kwam van de maag.
‘Hoe weet je dat zo zeker?’, antwoordde de huisarts scherp.
Ik kon hem niet vermurwen. Hij wilde per se een ECG. Ik stuur iemand langs, zei hij. Toch netjes, zo’n service.
Vijf minuten later hoorde ik de tonen van een ambulance en draaide er een motorambulance de straat in.
Inmiddels had ik een fijne boer gelaten waarop dat vervelende gevoel verdwenen was.
Ik moest van de motorambulancebroeder gaan liggen en professioneel sloot hij een ECG aan. Ik zag het wat geamuseerd aan. Daaruit zou dan blijken dat alles goed was en dan gingen we weer over tot de orde van de dag.
Het ECG bleek prima te zijn. De motorambulancebroeder keek echter peinzend naar zijn laptopje en zei:
‘Het zijn natuurlijk wel klachten op de borst…”
- ‘Komt van de maag’, antwoordde ik. ‘Niets aan de hand. De klachten zijn al weer over.’
‘Toch zou ik het fijn vinden als je in het ziekenhuis ook nog even een ECG liet maken’, antwoordde hij, ‘gewoon voor de zekerheid.’
- ‘Dat is echt niet nodig’, probeerde ik, maar de motorambulancebroeder drong aan. Nou ja, misschien had hij niet zo lang geleden wel een missertje gemaakt op dit gebied en was hij nu extra voorzichtig.
- ‘Vooruit dan maar’, verzuchtte ik, ‘ik rijd wel even naar het ziekenhuis.’
‘Dat doe je niet’, antwoordde de motorambulancebroeder. ‘Stel je voor dat je achter het stuur weer niet goed wordt. Je kunt jezelf of een ander dan wel doodrijden.’
Vijf minuten later hoorde ik bekende tonen en draaide een ambulance de straat in die naast de motorambulance parkeerde. Het was herfstvakantie en alle kinderen uit de straat stonden om de ambulances. Moeders verschenen in de deuropening.
Inmiddels had ik van de motorambulancebroeder al een infuus gehad en daarmee wandelde ik naar de ambulance toe om in te stappen. Maar ik werd tegengehouden.
‘U mag zelf niet lopen’, zei de ambulancebroeder. ‘Ik mankeer niets’, protesteerde ik, maar ik moest in mijn voortuin plaats nemen op de brancard. Door een haag van buurtkinderen werd ik de ambulance in gereden.
Nou ja, even een ECG laten maken in het ziekenhuis, waarschijnlijk nog wat bloed prikken en dan weer naar huis. Met een taxi dan maar.
In het ziekenhuis werd ik direct naar een kamer gereden en aangesloten op de hartbewaking.
Er werd een ECG gemaakt en bloed geprikt.
Een arts-asistente meldde zich om de anamnese af te nemen. Ik vertelde haar van de nicotinekauwgom.
‘Ah, u rookt’, noteerde ze, ‘dat is een risicofactor.’
Ze vroeg wat ik aan het doen was. Ik antwoordde dat ik net boven een dossier zat. ‘Het was wel een lastig dossier’, moest ik weer zo nodig grappen. ‘Gebeurde tijdens stress door werk’, stond er later in de brief naar de huisarts.
Ik probeerde het een en ander nog te bagatelliseren. Ik vertelde dat ik een paar dagen daarvoor nog had gebadmintond. Weliswaar op recreantenniveau, maar voor mij toch heel intensief. Daarna had ik last van al mijn spieren gehad, behalve van mijn hartspier. Mijn pleidooi ontkoppelde me echter niet van de monitor.
Het ECG was weer prima en ook mijn bloed was helemaal goed.
Ik hoorde dat tevreden aan.
‘Nou, gelukkig maar’, antwoordde ik, ’dan ga ik maar weer snel, want ik heb nu al een achterstand in mijn werk.’
- ‘Geen sprake van’, antwoordde de arts-assistente. ‘Het is mogelijk dat er later nog enzymen in het bloed komen. We prikken daarom over acht uur nog een keertje bloed.’
‘Maar dan moet ik dus tot tien uur vanavond blijven’, reageerde ik verbijsterd. ‘Daar heb ik echt geen zin in’.
Ik mocht echter niet weg, dat zou absoluut onverstandig zijn! Het waren toch wel typische klachten, meneer!
Ik besloot om me te schikken in mijn lot. Ik had het circus immers zelf in gang gezet. Toch wel trek in een sigaretje. De kauwgom zat in mijn broekzak, maar die durfde ik niet meer te gebruiken.
Ik belde mijn achterban en liet me een goed boek bezorgen om de dag toch een beetje aangenaam door te brengen.
Na acht lange uren wachten werd er eindelijk weer bloed geprikt.
‘Is de uitslag er snel?’, vroeg ik, ‘want het is inmiddels al laat en ik wil zo snel mogelijk naar huis’.
De prikzuster keek mij verbaasd aan. ‘Naar huis?’, herhaalde ze. ‘U gaat helemaal niet naar huis. U blijft hier slapen. Hebben ze u dat niet verteld? Er is nu geen cardioloog meer in huis om de uitslagen te beoordelen. En u moet ook nog een fietstest doen en dat kan vanavond ook niet meer.’
Een gedempte kreet smoorde zich in mijn kussen. Protesteren had geen zin. De prikzuster was weer weggelopen en ik staarde onthutst een lege gang in. Mokkend besloot ik dan maar een slaappoging te doen.
De volgende ochtend kreeg ik de opgewekte mededeling dat ook het tweede bloedonderzoek prima was.
‘Heel fijn’, antwoordde ik met een donderwolkje boven mijn hoofd. ‘Laten we dan maar even snel die fietstest doen en dan ben ik weg.’
- ‘We proberen om u er tussen te krijgen’, antwoordde de zuster, ‘maar het zal wel het begin van de middag worden.’
Ik protesteerde niet eens meer. Tegen het lot moet je niet vechten.
Om elf uur kwam dan toch de zuster weer met mijn patiëntendossier.
‘De fietstest is aan de andere kant van het ziekenhuis’, zei ze, ‘ik breng u even.’ Ze had een rolstoel bij zich.
- ‘Ik kan wel lopen’, probeerde ik de regie van mijn leven weer over te nemen, maar de zuster was resoluut.
‘Eerst moet de uitslag van de fietstest goed zijn en dan mag u weer lopen.’
In een rolstoel werd ik het ziekenhuis doorgereden.
De fietstest ging boven verwachting goed. Alleen kon de conditie wel wat beter, werd mij ingepeperd.
Ik stond op en moest weer in mijn rolstoel gaan zitten. ‘Ik mocht toch weer lopen als het goed was?’, probeerde ik nog tegen beter weten in.
‘Eerst moet de cardioloog de uitslag beoordelen’.
Ik werd in mijn rolstoel weer teruggereden en aangesloten op de hartmonitor.
De cardioloog was natuurlijk net uitgebreid lunchen, maar daarna kwam dan toch eindelijk de arts-assistente met het verheugende nieuws: ‘U mag naar huis. Alles is prima. Uw hart is helemaal in orde. Het waren waarschijnlijk wat slokdarmkrampjes door de nicotinekauwgom. U krijgt een drankje mee voor als u weer last krijgt.’
Kijk aan, was het toch niet allemaal voor niets geweest. Had dit gedoe me toch een ritje naar de apotheek bespaard.
De zuster trok de electroden van mijn borst, de haren venijnig meenemend en ik mocht eindelijk gaan.
Buiten stak ik een sigaretje op. Dat mocht ik van mezelf, want mijn hart was immers goed.